Wie denkt dat kennis duur is, weet niet wat domheid kost

20 april 2015 15:00

‘Wie denkt dat kennis duur is, weet niet wat domheid kost.’ Een prachtige uitspraak van Alexander Rinnooy Kan tijdens de zestiende Kohnstammlezing op 27 maart jl. Het is een uitspraak die hij eerder heeft gedaan (er dan nog aan toevoegend: ‘en ook niet wat onwetendheid aanricht’). Ik ben misschien een leek, maar ik kreeg het gevoel dat dit voor een groot deel van zijn lezing gold.

Het begon met de aanname dat we de kwaliteit van het onderwijs het best kunnen meten door te kijken naar de resultaten. Dat is te betwisten en dat wil ik laten zien. Rinnooy Kan kijkt hiervoor naar drie soorten resultaten: inhoudelijke kwaliteit, vorderingen (doorstroming naar vervolgonderwijs) en het bevorderen van kansen.


Inhoudelijke kwaliteit

Voor dat eerste kijkt Rinnooy Kan naar de PISA-scores, een meetinstrument van de OESO om onder andere de taalvaardigheids- en rekenscores van leerlingen uit ontwikkelde landen te kunnen meten. In de top van best scorende landen vinden we Finland, Zuid-Korea en Japan. Nederland staat in de subtop met onder andere Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. De mediterrane landen scoren het slechtst. Geen slechte score voor Nederland dus, zeker als je bedenkt dat de Japanse en Koreaanse leerlingen behoren tot de meest ongelukkige ter wereld, en de Nederlandse tot de allergelukkigste. Daarnaast zijn de leerlingenpopulaties in Finland, Japan en Zuid-Korea ook nog eens veel homogener dan in Nederland.

De PISA-score zegt echter niets over, ik roep maar wat, de sociale vaardigheden van leerlingen of over creativiteit. Hij zegt eigenlijk zelfs niets over de werkelijke taalvaardigheid van leerlingen, maar geeft slechts aan of leerlingen in staat zijn de gewenste antwoorden te geven op bepaalde vragen. Een PISA-score zegt waarschijnlijk meer over kennis van huidige of vroegere normen dan dat hij uitdrukt of leerlingen in de toekomst echt in staat zijn om zelfstandig te denken. Zijn ze in staat om hun kennis toe te passen om dingen te veranderen of zullen ze trachten om bestaande normen in stand te houden, omdat ze niet beter weten?[1]


Vorderingen

De helft van de Nederlandse leerlingen stroomt door naar het tertiaire onderwijs. Dat is een slechtere score dan Finland, Zuid-Korea en Japan, maar beter dan de Angelsaksische landen. Dit aantal blijft stijgen en het aantal schoolverlaters neemt af. Rinnooy Kan meldt dat dit aantal niet onomstreden is: veel hogeropgeleiden werken namelijk onder hun niveau na hun opleiding, omdat de arbeidsmarkt te weinig meegroeit met deze ontwikkeling.

Daar zou ik aan toe willen voegen dat het groeiende aantal studenten in het hoger onderwijs ook kan betekenen dat de kwaliteit van het hoger onderwijs is afgenomen; de drempel is simpelweg lager geworden. Dat argument gaat gelukkig niet op voor de Nederlandse universiteiten: wij zijn het enige land in de wereld waarvan alle universiteiten in de top 250 van beste universiteiten ter wereld staan, en deze zijn allemaal publiek. Maar helemaal los van dit alles: Wat heb je eigenlijk aan een maatschappij met enkel hogeropgeleiden? Waarom vinden we dit zo ontzettend belangrijk? En is het wel wenselijk? Waarom zouden we de ambachten niet meer gaan waarderen in plaats van alleen te kijken naar knappe koppen?


Bevorderen van kansen

Op het punt van het bevorderen van de kansen – van een dubbeltje een kwartje worden – scoren we teleurstellend. We zijn een middenmoter met weinig aandacht voor excellentie. Estland voert de lijst aan. Om gelijke kansen te kunnen bieden moeten we ‘relevante verschillen maximaliseren en irrelevante verschillen minimaliseren’ en vooral dat laatste lukt niet in Nederland. Hoe komt dit? Wij delen leerlingen te vroeg in naar niveau; we missen een middenschool. Zwakkere leerlingen kunnen zich door deze scheiding niet meer optrekken aan de sterkere leerlingen en zo profiteren eigenlijk alleen gymnasiasten van de scheiding. De jongens, laatbloeiers, zijn vooral slachtoffer van dit systeem, ook omdat stapelen ontmoedigend werkt.

Finland heeft wel middenscholen en dat lijkt een verklaring voor het grote succes van het onderwijssysteem aldaar. Na afloop merkt iemand uit het publiek wel op dat Finland zo goed scoort omdat de meisjes het gemiddelde flink opkrikken: de jongens hebben net zo’n lage PISA-score als de Amerikaanse jongens, en dat is laag. Ze lijken dus niet mee te profiteren van de middenschool en dat terwijl zij er juist bij gebaat zouden moeten zijn. Rinnooy Kan kende het onderzoek waaruit deze bewering uit het publiek komt niet en kon hier dus geen reactie op geven.

Op dat punt van kansenbevordering na doen we het niet slecht, aldus Rinnooy Kan, en vooral als je kijkt naar onze onderwijsuitgaven: we besteden procentueel minder aan onderwijs dan een land als Korea. Bovendien zijn de uitgaven aan privaat onderwijs veel lager dan in datzelfde Korea. Het spijt me, ik ben cijferdoof, maar geloof me maar.
 

Wat moet er anders?

Wat moet er dan veranderd worden om het Nederlandse onderwijs te verbeteren? Alexander Rinnooy Kan heeft hier gelukkig het antwoord op. Om de inhoudelijke kwaliteit te verbeteren moeten docenten verder professionaliseren; om de vorderingen te verbeteren moet er gefocust worden op een leven lang leren; en om meer gelijke kansen te kunnen bieden moeten kinderen naar de voorschool.

De kwaliteit van de docenten was vroeger beter, aldus Rinnooy Kan. Ik vraag me werkelijk af of dit zo is en in welk opzicht dit zo is. Inhoudelijke kennis? Pedagogische kwaliteiten? Didactische vaardigheden? Het wordt verder ook niet toegelicht en ook wordt er geen woord gerept over de lerarenopleidingen. Salaris is in ieder geval geen reden voor het verschil in kwaliteit tussen Finse en Nederlandse docenten: ze verdienen hetzelfde, maar hebben in Finland veel meer aanzien. Niet iedereen kan echter leerkracht worden in Finland: het is dus een hele prestatie, omdat er (strenger) wordt geselecteerd. Verder staan er in Nederland meer onbevoegde docenten voor de klas dan in Finland. Ik had hier de lerarenopleidingen genoemd, maar, nogmaals, dat doet Rinnooy Kan niet.

Gelukkig zijn er positieve ontwikkelingen: kwaliteit wordt binnenkort wettelijk geregistreerd, de Pabo academiseert, er is een beurzensysteem ingevoerd en er is een mogelijkheid voor docenten om te promoveren. Nog een suggestie van Rinnooy Kan: de onderwijsinspectie moet worden afgeschaft. Waar al deze oplossingen aan voorbijgaan is het feit dat onbevoegd niet hetzelfde is als onbekwaam en dat we er juist voor moeten zorgen dat een onbekwame docent niet voor de klas komt te staan. Dat lukt in Finland dus kennelijk wel. Maar dat is mijn bescheiden mening, als onbevoegd docent.

De tweede oplossing: een leven lang leren. Ik dacht dat het om de leerlingen zou gaan, maar dit slaat op de docenten. Nederland blijft wat betreft bij- en nascholing van docenten achter op de ambities. Dit is geen geldkwestie. Het voorstel is dus om docenten een onderwijsvoucher te geven om onduidelijkheid rondom financiering te voorkomen. Ik heb begrepen dat er per docent € 500 beschikbaar is voor scholing, maar ik heb ook begrepen dat maar weinig docenten hiervan op de hoogte zijn. Wat gebeurt er met dat geld? Is een voucher wel nodig?

De derde oplossing: het opzetten van een middenschool. Dit kan een oplossing zijn voor het gelijkheidsprobleem. Leerlingen moeten ook vakken kunnen volgen op verschillende niveaus – toevallig werd dit ook precies deze week voorgesteld door Paul Rosenmöller van de VO-raad. Dit is logistiek gezien alleen niet haalbaar, volgens Rinnooy Kan. Ik krijg de indruk dat hij geen idee heeft van alle experimenten die de afgelopen jaren met succes zijn uitgevoerd om de beperkingen die roosters en klassen opleggen te doorbreken: ik noem bijvoorbeeld Agora of de School[2].

Ook de voorschool is een oplossing voor het gelijkheidsvraagstuk. Wanneer leerlingen die een andere thuistaal spreken pas op hun vijfde naar school gaan, is hun achterstand bijna niet in te lopen. De voorschool biedt hier uitkomst. Een combinatie van (gratis) voorschool en kinderopvang maakt het daarnaast makkelijker voor vrouwen om meer te gaan werken. De kosten hiervan bedragen zo’n één miljard euro. Ook hier wordt al veel mee geëxperimenteerd naar mijn idee.


Hoe goed is het Nederlandse onderwijs?

Dan het antwoord van Alexander Rinnooy Kan op de vraag die centraal stond tijdens deze Kohnstammlezing: hoe goed is het Nederlandse onderwijs? Zijn antwoord: naar omstandigheden verrassend goed. Gezien ons bescheiden budget, de bescheiden politieke steun – het is natuurlijk duidelijk welke partij hij bedoelt wanneer Rinnooy Kan zegt dat slechts één politieke partij vriend is van het onderwijs, jammer dat hij deze lezing gebruikt om de partij waarvan hij op de tweede plaats staat voor de Eerste Kamer nog even te promoten – en de bescheiden ambities, hebben we een plek in de top 5 van alle kenniseconomieën. Heel veel nieuws vertelde Rinnooy Kan tijdens deze Kohnstammlezing helaas niet. Sommige ideeën zijn zelfs ronduit achterhaald. Wie denkt dat vernieuwing duur is, weet niet wat achterhaalde ideeën kosten.

 


[1] Dit verwoordt Tjeerd Andringa ook prachtig in nrc.next op diezelfde 27 maart 2015.

[2] Kijk maar eens naar de aflevering ‘De onderwijzer aan de macht’ van Tegenlicht op 1 februari 2015.