Vliegeren

Gepubliceerd: 10 april 2017 15:00
Het zal altijd een onderwerp van discussie blijven binnen ons team: hoeveel sturing geven we aan studenten en hoeveel vrijheid en verantwoordelijkheid kunnen ze aan/is noodzakelijk? De kunst is om hier de ultieme balans in te vinden en daarmee te komen tot constructieve frictie.

Ik heb er eerder over geblogd en ik blijf het een prachtige term vinden. Niet alleen bij studenten, maar ook in het begeleiden van docenten ben je constant op zoek naar deze balans: te veel sturing zorgt voor voorgekauwde, inspiratieloze lessen waarbij niet voldoende ingespeeld kan worden op de behoeften van de studenten. Te weinig sturing geeft docenten het gevoel dat we ze laten zwemmen en komt de kwaliteit van de lessen ook niet ten goede.

Belangrijk om in te kunnen schatten hoeveel sturing je iemand moet bieden, is of je iemand moet benaderen als een beginner of een expert. Beiden leren namelijk behoorlijk verschillend en hebben een verschillende mate van sturing nodig. Hier gaat nog weleens iets mis, want soms gaan we ervan uit dat een student veel meer weet dan hij daadwerkelijk lijkt te weten. In het schrijfonderwijs kom ik dit vaak tegen: veel waarvan ik veronderstel dat het gesneden koek is, blijkt soms volkomen nieuw te zijn.

Jacqueline van Kruiningen en Femke Kramer van de Rijksuniversiteit Groningen deden onderzoek naar de reflectieteksten van eerstejaarsstudenten. De studenten schreven over hun eigen schrijfvaardigheid en wat ze verwachtten van schrijven in een academische context. Daarbij formuleerden ze ook leerdoelen voor zichzelf. Uit de teksten bleek vaak dat de studenten een redelijk oppervlakkige indruk hadden van wat er van hen verwacht werd. Alleen enkele studenten die al enige ervaring hadden in het hoger onderwijs, kwamen verder dan ‘moeilijke woorden’ en ‘zakelijke stijl’. Deze teksten waren een mooi vertrekpunt voor de lessen die volgden, want het werd al snel duidelijk dat de studenten eerst moesten weten wat een academische tekst precies is en waartoe deze dient.

Zonder die voorkennis zou het kunnen gebeuren dat de veronderstelde voorkennis veel groter wordt ingeschat dan hij daadwerkelijk is, met als risico dat je te weinig sturing biedt of over de hoofden van de studenten heen gaat praten. Is het dan niet goed om studenten af en toe lekker te laten ploeteren en het zelf uit te laten zoeken? Natuurlijk wel. Ook daar leren ze heel veel van, maar het moet niet leiden tot frustratie (destructieve frictie).

Om die sturing steeds meer los te kunnen laten, is het focussen op metacognitieve vaardigheden essentieel. Zoals ik al eerder schreef, moet je op een gegeven moment van het voorkauwen van zaken overschakelen naar het aanreiken van gereedschappen waarmee studenten het zelf ‘uit kunnen zoeken’. Dus bijvoorbeeld: niet meer zelf een lijstje van criteria voorkauwen, maar studenten zelf teksten laten analyseren en een lijstje op laten stellen van criteria waar een bepaalde tekstsoort aan moet voldoen.  Met die vaardigheden en strategieën kunnen studenten zich ook in de toekomst zelf redden.

Ik vergelijk het graag met vliegeren: om een vlieger op te laten stijgen, moet je vaak flink wat meters rennen. Naar de vlieger kijken in de hoop dat hij vanzelf opstijgt is zinloos. Maar als de vlieger eenmaal in de lucht is kun je er in het gras naar gaan liggen kijken. Het touw loslaten is geen aanrader, maar gelukkig kunnen we onze studenten op een gegeven moment wel met een gerust hart laten gaan.