Persoonsvorming

Gepubliceerd: 14 mei 2018 15:00
Een lezing van Sander Heijne over zijn boek ‘Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u’ tijdens de 1 mei-viering van GroenLinks zette me aan het denken. In zijn boek komt naar voren dat privatisering van overheidsdiensten (de PTT, de NS, de kinderopvang) keer op keer niet de gewenste effecten heeft en dat veel mensen ‘op de vloer’ van tevoren al konden voorspellen dat het mis zou gaan en dat zij hun baan weleens kwijt zouden kunnen raken. Waarom werd hier niet naar geluisterd? En hoe is het mogelijk dat we ondanks gebrek aan bewijs maar blijven geloven in marktwerking? Dat zijn vragen die tijdens de lezing door mijn hoofd spookten en waar ik hier geen antwoord op ga geven. Er was namelijk nog een andere vraag die nog harder spookte: Gaat er iets mis in ons onderwijs en leiden en voeden wij mensen wel goed op?

Ik stelde deze vraag, maar merkte aan het antwoord dat er enige ruis op de lijn zat. Het is niet mijn bedoeling om mezelf te redden van dreigende marktwerking – iemand naast me die voor de vakbond zat, adviseerde me vooral om lid te worden – maar om studenten zo op te voeden dat ze zich niet als makke schapen naar – bijvoorbeeld – de privatiseringsslachtbank laten leiden. Besteden wij in het onderwijs wel genoeg tijd en aandacht aan het opvoeden tot sterke, waardige individuen? Al bladerend door mijn blogs, blijkt dit een onderwerp dat me blijft fascineren.

Er zijn weinig mensen in het onderwijs die niet bekend zijn met de drieslag van Biesta: onderwijs richt zich idealiter op drie domeinen, namelijk kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming (of: subjectificatie). Taalprof Annet legde in een eerdere blogpost helder uit wat er met die drie domeinen bedoeld wordt. Waar de eerste twee domeinen vrij makkelijk uit te leggen zijn, worstelen we vaak met dat derde domein: persoonsvorming, subjectificatie, subjectivering, subjectwording, … Hester IJsseling schreef hier een verhelderend verhaal over op Onderzoek onderwijs. Zij schrijft onder andere:

Je wordt subject – zo lees ik dat – op het moment dat je een relatie aangaat met de mensen en de dingen om je heen, door te handelen, door iets te doen; door je op een heel eigen manier te verhouden tot de mensen en de dingen om je heen. Door contact te maken. Het is niet wie je bent, niet je identiteit, maar hoe je bent, hoe je je verhoudt tot de ander en het andere. Het is niet iets wat je eenmaal bent en blijft, niet de een of andere wezenskern, en het is ook niet je persoonlijkheid, je buitenkant, het masker (persona) dat je de buitenwereld toont. Subject word je enkel maar op die momenten dat je daadwerkelijk die relatie aangaat en je eigen stem laat horen en met aandacht bij de mensen en de dingen bent die je in het hier en nu op je pad vindt. Het is geen gelijkblijvende essentie of harde kern in afzonderlijke individuen, maar iets dat gebeurt tussen mensen. Áls het gebeurt – want het gebeurt niet altijd. Niet op elk moment dat mensen elkaar tegenkomen, is er in deze zin sprake van contact.

Het is geen eenvoudige materie, maar ik heb het gevoel dat hier de schoen wringt, dat hier mijn ergernis zit. We leiden keurig gekwalificeerde burgers op die zich aanpassen aan hun omgeving, maar gunnen hen wellicht te weinig ruimte om ook hun eigen stem te ontwikkelen en te laten horen. Een kind van zes dat haar ouders tot wanhoop drijft, omdat ze geen dieren meer wil eten; een docent die zijn leidinggevende vriendelijk verzoekt alle toetsen en afvinklijstje daar te stoppen waar de zon niet schijnt; postbodes die in opstand komen tegen plannen waar zij geen heil in zien; bestuurders die verder en kritischer denken dan hun marktwerkingsgeloof reikt; niet alleen binnen de lijntjes kleuren, omdat dat straks handig is in de maatschappij of op de arbeidsmarkt, maar juist buiten de lijntjes kleuren, omdat dat leuker is en het de wereld een stukje mooier maakt.

Maar hoe doen we dat in het onderwijs? Een vak Persoonsvorming inrichten? Alsjeblieft niet zeg! Helaas is dit de enige post van Hester IJsseling op Onderzoek onderwijs en kan ik dus geen praktische handvatten van haar ‘jatten’. Al zoekend kom ik nog een artikel van Hester IJsseling tegen in Het Alternatief II (ondertitel: De ladder naar autonomie, natuurlijk had ik daar meteen moeten kijken!) van René Kneyber en Jelmer Evers, waarin ze precies schetst wat ik bedoel:

Ondertussen streven leraren en opvoeders er – als het goed is – ook naar dat kinderen mensen worden die zich vrij en op een volwassen manier weten te verhouden tot de wereld, en zich met de wereld kunnen verbinden. Mensen die met kritische distantie de bestaande sociaal-culturele praktijken in beschouwing kunnen nemen, evenals de manier waarop de rollen verdeeld zijn in de maatschappij. Mensen die zich aangesproken voelen om de dingen recht te doen en om, waar het wringt, op zoek te gaan naar een mogelijke andere ordening.

Want soms wringt de bestaande orde. Elk systeem gaat onvermijdelijk gepaard met uitsluiting. Elke ordening betekent dat er mensen buiten de orde vallen. Elke norm en elke opvatting van normaliteit houdt een onderscheid in tussen diegenen die eraan voldoen en diegenen die er niet aan voldoen. Is het zogeheten ‘gezonde verstand’ in wezen iets anders dan de ideologie van de gevestigde orde? Het blijft daarom altijd belangrijk dat mensen zich niet alleen leren voegen, maar ook met kritische distantie leren kijken naar hoe we de dingen ‘nu eenmaal’ doen, en zich afvragen of het goed is zoals het is, of dat er iets anders nodig is.

Ik zou het hele hoofdstuk hier wel kunnen plakken, want alles wat ze schrijft is zo ontzettend waar (wat een lekker kritisch individu ben je toch, Meike), maar dat is niet netjes en gelukkig is het gewoon online te vinden. Om meer ruimte te geven aan persoonsvorming, moeten we niet nóg meer gaan organiseren, maar moeten we juist dingen laten, stelt IJsseling. We moeten meer ruimte bieden en luisteren.

Toen ik onlangs lesgaf aan een van mijn mbo-klassen, haakte een van de studentes in op een tekst die we bespraken over kindermishandeling en vroeg: ‘Vindt u het niet vreemd dat kinderen van hun ouders blijven houden, ook al worden ze mishandeld?’ Ik was even overvallen door zo’n heftige vraag en gaf aan dat we het nu over tekstdoelen en tekstsoorten hadden en dat we hier eens les op zich over konden vullen, maar dat ik daar misschien niet de aangewezen persoon voor was. Wat een botheid.

Na afloop ging ik naar haar toe, om mijn excuses aan te bieden en te vragen waar deze vraag ineens vandaag kwam. Ze vertelde over haar buurkinderen, en dat ze zich zorgen maakte en zich machteloos voelde. We praatten er nog even over en ik sprak mijn grote bewondering voor haar uit. Juist voor dit gedrag zou altijd ruimte moeten zijn in welke les dan ook. Mijn vader zegt weleens dat liefde de kunst is van je te laten storen in waar je mee bezig bent. Die had meester moeten worden.