Gluren bij de buren: het Hofstad Lyceum

Gepubliceerd: 13 november 2017 15:00
We klagen wat af over de schrijfvaardigheid van onze studenten. Maar is het ook echt een probleem? Hoe erg is het? Hoe komt het? En de belangrijkste vraag: wat kunnen we eraan doen? In deze serie hoop ik antwoorden te vinden op deze grote vragen door verder te kijken dan het hbo. Ik ga gluren bij de buren. Vandaag deel 3: te gast op het Hofstad Lyceum.

Op 7 november organiseerde Kees de Glopper in samenwerking met het Hofstad Lyceum een workshop over schrijfvaardigheid. Docenten en onderzoekers uit het basis-, middelbaar en hoger onderwijs waren uitgenodigd om met elkaar in gesprek te gaan over (het beoordelen van) schrijfvaardigheid. Het was ontzettend interessant om hier diepgaand over in gesprek te gaan met collega’s uit alle onderwijslagen.

Een onderzoeksgroep van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) heeft onder leiding van Kees de Glopper in opdracht van het Hofstad Lyceum onderzoek gedaan naar de schrijfvaardigheid van de leerlingen van deze middelbare school. Leerlingen uit verschillende jaren schreven diverse teksten die voor dit onderzoek beoordeeld werden door de eigen docenten en door de onderzoekers van de RUG, om zo te onderzoeken in hoeverre de schrijfvaardigheid zich ontwikkelt door de jaren heen. Hulde voor dit initiatief! De eerst resultaten boden interessante discussiestof en vandaar dus deze bijeenkomst.

Tijdens de workshop kregen we onder andere de opdracht om een cijfer te geven voor een willekeurige tekst van een leerling van het Hofstad Lyceum. Daar constateerden we meteen een interessant verschil: middelbareschooldocenten waren strenger dan de docenten uit het hoger onderwijs – ik gaf de tekst zelf een 7. De ho-docenten vonden de tekst lezers- en doelgericht, netjes gestructureerd en voorzien van signaalwoorden om de lezer te ondersteunen. Veel vo-docenten struikelden over de spelling- en grammaticafouten en kwamen dus uit op een lager cijfer.

Toen we vervolgens in gemengde groepen in discussie gingen over welke criteria van belang zijn bij het beoordelen van schrijfvaardigheid en hoe zwaar ieder criterium zou moeten wegen, kwam dit onderscheid regelmatig ter sprake. Waar spelling en grammatica in het middelbaar onderwijs nog de nadruk krijgen, gaan we er in het hoger onderwijs van uit dat dit in orde is en richten er ons vooral op de doel- en lezersgerichtheid en dus veel meer op structuur, stijl en woordenschat. Ik kon me ineens levendig voorstellen waarom mijn lessen en de taaltoets soms de nodige frustratie opleveren bij studenten in de dop.

Een vo-docent vroeg zich bij de plenaire nabespreking af: als we zoveel nadruk willen leggen op spelling, moeten we dan niet gewoon een dictee afnemen? Schrijven is immers veel meer dan de juiste spelling en grammatica. Een andere opvallende constatering: leerlingen kunnen een 9 halen voor een schrijftoets, zonder aan de opdracht te hebben voldaan. Ook kwam het huidige eindexamen ter sprake: de focus op leesvaardigheid neemt de prikkel om voldoende aandacht te besteden aan schrijfvaardigheid weg. 

De tweede discussieronde ging over doorstroming: wat mogen we verwachten van leerlingen die doorstromen van basis- naar voortgezet onderwijs en wat van studenten die instromen in het hoger onderwijs en welke kloof moet er eventueel gedicht worden? Omdat er aan onze tafel vooral vo- en ho-docenten zaten, spitste de discussie zich vooral toe op de overgang tussen die twee lagen, al wist een vo-docent te vertellen dat leerlingen die afkomstig zijn uit het basisonderwijs soms amper interpunctie gebruiken in hun teksten en dat het soms dus erg back to basics is. In het hoger onderwijs missen we dan weer het juiste gebruik van bronnen. Ook zijn studenten vaak nog op zoek naar een checklist – wat moet en mag niet? – en beschikken ze minder over metalinguïstische vaardigheden en inzicht in waaróm iets wel of niet wenselijk is in een tekst. We realiseerden ons ook dat we in het hoger onderwijs iets minder mogen varen op aannames over wat studenten al kennen en kunnen en soms iets explicieter mogen zijn in onze instructies. De lat moet zeker niet lager, maar een handreiking om de kloof te kunnen overbruggen is wel prettig.

Wat was dit een leerzame middag! We hadden nog wel even door kunnen praten met elkaar. Hoewel we het lang niet over alles eens waren, was een ding duidelijk: meer samenwerking en afstemming is van groot belang. Even koffiedrinken met een docent uit een andere onderwijslaag kan al zoveel inzicht geven! Daarom is het zo jammer dat op de grotere congressen die zich richten op (taal)onderwijs de verschillende docenten elkaar minder ontmoeten dan wenselijk is, omdat iedereen zijn eigen track kan volgen.

Gelukkig worden er in steeds meer steden platforms opgezet waar voortgezet onderwijs, hbo en universiteit samenwerken om studenten een goede start te geven in het hoger onderwijs en ze te begeleiden bij hun studiekeuze.  Zelf was ik aanwezig bij de lancering van OPeRA, het platform van de regio Amsterdam. Ook hier gingen betrokkenen met elkaar in gesprek over wat er nodig is om de overgang naar het hoger onderwijs soepel te laten verlopen. Dat moet verder gaan dan brede eisen en vage definities, gaf een docent daar aan. Daar sluit ik me bij aan.

Lees ook deel 1 en 2 van deze serie over Tekster en Booster.

Vanaf eind november zal ik een flink deel van mijn tijd college geven en ik ga dus even op blogvakantie. Volgend jaar ben ik weer in de gelegenheid om te gluren bij de buren en mooie lesmomenten te delen hier. Tot dan!