Anéla Conferentie

01 juni 2015 15:00

Op vrijdag 22 en zaterdag 23 mei vond in Egmond aan Zee de Anéla Conferentie plaats. Ik pikte een blokje mee op vrijdag: het colloquium over toetsing van Nederlandse taalvaardigheid in het hoger onderwijs in relatie tot studiesucces. Twee interessante bevindingen licht ik er hier uit.

Universiteit van Amsterdam

Tijdens dit colloquium werden zowel onderzoeken uit Nederland als Vlaanderen gepresenteerd en ging het zowel over toetsing als over begeleiding van studenten die over onvoldoende taalvaardigheid beschikken. Ineke Vedder en Folkert Kuiken noemen diverse oorzaken voor de taalproblemen van studenten in het hoger onderwijs:

  • ovoldoende aandacht voor taal in het basisonderwijs;
  • ontlezing en schrijfproblemen in het voortgezet onderwijs;
  • kwaliteit van het eindexamen Nederlands;
  • opmars van het Engels in het hoger onderwijs.

Aan de Faculteit voor Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam krijgt iedere eerstejaarsstudent een diagnostische toets schrijfvaardigheid. De studenten bestuderen hiervoor twee vakgerelateerde teksten en maken enkele schrijfopdrachten. Van alle studenten behaalt 53,9 procent een voldoende resultaat voor de toets, 24,4 procent behaalt een hele krappe voldoende en 21,7 procent haalt de toets niet. Vwo’ers scoren beter dan studenten die van het hbo komen en buitenlandse studenten halen de toets vrijwel nooit.

Studenten Media & Cultuur die de diagnostische toets hebben gehaald, scoren beter op de communicatievakken binnen hun studie, dus er is een relatie te zien tussen taalvaardigheid en studiesucces. De toets heeft een voorspellende waarde voor cijfers, maar niet voor studiepunten. De toets heeft de grootste voorspellende waarde in het eerste semester. Vermoedelijk vallen zwakkere studenten daarna vaak af én heeft er remediëring plaatsgevonden.

Die remediëring houdt in dat studenten die een onvoldoende resultaat hebben behaald op de toets  een cursus (bijvoorbeeld Beter Schrijven) of workshop (bijvoorbeeld Spelling) dienen te volgen. 70 procent van deze studenten doet dit en 82 procent van hen haalt uiteindelijk een (iets) beter resultaat voor de toets.

Correlatie is niet hetzelfde als een causaal verband en de taalvaardigheid van een student heeft vooral een voorspellende waarde in het eerste semester. Desalniettemin laat dit onderzoek zien dat er een relatie is tussen taalvaardigheid en studiesucces en dat het zinvol is om studenten te begeleiden in het verbeteren van hun taalvaardigheid.


Katholieke Universiteit Leuven

Ook aan de KU Leuven maken eerstejaarsstudenten een toets en is er een lesaanbod voor studenten die de toets onvoldoende maken, vertelt Jordi Heeren. Er is een leerplatform en studenten volgen workshops. Binnen deze workshops wordt gebruikgemaakt van twee werkvormen die nieuw voor me waren en me erg interesseerden.

Ten eerste observerend leren: leren schrijven en schrijven zijn twee verschillende zaken. Schrijven is een cognitief zeer belastende activiteit en er zijn dus strategieën nodig om het proces tot een goed einde te brengen. De houding van studenten is hierdoor vaak: ik leer dit toch niet. Studenten leren echter ook door andere studenten te observeren. We leren namelijk niet alleen door zelf te doen, maar ook door anderen te observeren en te zien hoe zij gecorrigeerd worden. Observeren heeft meer effect als studenten zich identificeren met de geobserveerde en als zij dus ongeveer hetzelfde niveau hebben als de geobserveerde student. De studenten zien op het digibord een filmpje van een student die aan het schrijven is. Men hoort de student praten tijdens het schrijven en ziet de tekst verschijnen. De studenten kijken dus eigenlijk mee met het schrijfproces van een andere student. In het voorbeeld dat wij te zien krijgen tijdens het colloquium zien we een sterkere en een zwakkere student.

De andere werkvorm is collaboratief schrijven: als je een student alleen laat schrijven, heeft hij niemand om op terug te vallen. Studenten schrijven tijdens de les dus samen. Ze moeten de strategieën zo expliciet aan elkaar verwoorden, bijvoorbeeld: staat er wel een kernzin in deze alinea?

Beide werkvormen zorgen ervoor dat studenten meer bezig zijn met metacognitieve processen en zorgen voor motivatie en geloof in eigen kunnen. De nadelen van de observatieopdracht zijn de tijdsinvestering en de technische kennis die nodig is om filmpjes te maken. Ook collaboratief schrijven kost de nodige tijd.

De meeste studenten geven aan de workshops nuttig te vinden. De teksten zijn na de workshops beter, maar het is moeilijk om dit te toetsen en de controlegroep om dit te kunnen onderzoeken was te klein. Alleen op spelling gaat men niet echt vooruit, maar daar zet men dan ook niet op in. Men wordt beter in tekststructuur. De motivatie van de student kan invloed hebben op het succes van de workshop.

Ik vind het twee interessante werkvormen en ben zeker van plan om ze te gaan uitproberen tijdens mijn eigen lessen.


Tot slot

Er zijn diverse verschillen te zien tussen de toetsing van de taalvaardigheid van studenten en de aanpak van taalproblemen bij studenten aan de de UvA en de KU Leuven. Een belangrijke overeenkomst is dat de Nederlandse taal los lijkt te staan van de rest van de opleiding. Ik ben erg benieuwd naar de effecten van zogenaamd taalontwikkelend lesgeven, waarbij taal een onderdeel is van alle zaakvakken. Ik hoop hier snel meer over te kunnen lezen en bloggen.